Wanneer ben je belanghebbend bij de aanleg van een zonneweide?

Zonneweide

Wanneer ben je belanghebbend bij de aanleg van een zonneweide?

Eerder schreven wij een blog over de vraag wie belanghebbenden zijn bij het plaatsen van windturbines. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft min of meer ‘geobjectiveerd’ wanneer iemand belanghebbende is bij dit soort projecten. De hoogste bestuursrechter neemt als uitgangspunt dat er ‘gevolgen van enige betekenis’ aanwezig zijn binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor de betrokkene dichtstbijzijnde windmolen, gemeten vanaf de voet van de windmolen. Maar hoe gaat de bestuursrechter om met het vaststellen van belanghebbendheid bij het aanleggen van een zonneweide? Gelden daar ook een objectieve maatstaf?

Wat was de situatie?

Op 25 januari 2021 speelde deze vraag in een zaak bij die speelde bij de rechtbank Overijsel. Er was een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonneweide op een perceel te Olst. Het betrof een panelenveld van circa 2 hectare. Tegen het ontwerp van de omgevingsvergunning hebben twee mensen een zienswijze ingediend en later beroep ingesteld. De zaak draait vervolgens om de vraag of deze personen wel belanghebbend zijn. De rechtbank concludeert dat zij geen belanghebbende zijn en komt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden dus niet toe.

Wanneer is iemand belanghebbende?

Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. Volgens jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals een omgevingsvergunning – toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, zij het dat er wel sprake dient te zijn van ‘gevolgen van enige betekenis’ welke ontbreken indien de gevolgen van de activiteit wel zijn vast te stellen, maar voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien.

Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

In dit geval?

In dit geval liggen de woningen van de betreffende personen op 500 en 700 meter afstand van de zonneweide. Bovendien wordt het zicht voor een deel belemmerd door omliggende bebouwing. De rechter weegt vervolgens ook mee dat de hoogte van de panelen (maximaal 1.80 meter) betreft en de landschappelijke inpassing en de coating van de zonnepanelen schittering voorkomt.

Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld in de vorm van trillingen, geur, emissie, licht, geluid of bijzondere risico’s voor de omgeving. De personen hebben wel gesteld dat er naar verwachting negatieve effecten zouden kunnen zijn van de zonneweide in het algemeen, maar die vrees voor een onzekere, toekomstige gebeurtenis is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aangemerkt te kunnen worden als belanghebbende bij het besluit.

Conclusie en relevantie voor de praktijk

Er geldt in het geval van een het aanleggen van een zonneweide dus géén objectieve maatstaf, zoals dat wel het geval is bij windmolenparken. Telkens zal in het concrete geval beoordeeld moeten worden of iemand belanghebbend is.

Rutger Boogers

Rutger Boogers

 

 

 

 

 

 

 

 

Rutger Boogers
boogers@bgadvocaten.nl